Column Jean Paul Van Bendegem

De verbeelding aan de macht

Hoe moet een mens in hemelsnaam beginnen aan een korte reflectie over verbeelding? En, neen, ik ga niet de goedkope truc gebruiken om te zeggen dat het mij ontbreekt aan verbeelding (behalve dat ik het nu toch gedaan heb wat op zijn beurt wel een vorm van verbeelding lijkt te suggereren maar tegelijkertijd ook op zijn beurt niets meer dan een ongemeen flauwe retorische truc is). Maar, zal men mij zeggen, wij weten wel wat verbeelding is, het is de creatieve denkkracht van de mens. Het is verbeelding waarvan Albert Einstein zei dat logica jou van A naar B brengt maar verbeelding overal. Het is dingen verzinnen, bedenken, het is dromen, het is fantasie, ja, is niet alle kunst verbeelding? Heel leuk allemaal en misschien zelfs allemaal waar – behalve die Einstein quote, dat is nogal spijtig om te horen voor iemand zoals ik die zijn leven lang blijkbaar alleen maar van A naar B is geweest terwijl al de rest overal heeft verbleven maar wat men vergeet is dat niet gezegd is dat A en B moeten vastliggen en, als je A en B overal kunt leggen dan is er geen verschil meer, maar goed, ik wilde hierover niet uitweiden en nu heb ik het wel gedaan, mijn excuses – dus ik herneem: heel leuk allemaal en misschien zelfs allemaal waar maar nu hebben we ongeveer alles tot verbeelding verklaard. Want ja, haal er filosofen bij – en op deze Dag van de Filosofie, waar de Verbeelding even aan de Macht mag komen, is het de bedoeling om er zo veel mogelijk bij elkaar te scharrelen in de hoop dat er talloze met ideeën gevulde eieren zullen gedropt worden en vervolgens uitgebroed, kijk eens aan, een rurale metafoor in een stedelijke context, je moet maar durven – dus haal er filosofen bij en voor je het weet is jouw waarnemen en ervaren van de wereld ook verbeelding. Want kunnen wij wel de wereld zien zoals die is? Dat Ding an Sich van onze Köningsbergse Kant (dit was enkel bedoeld voor de alliteratie en niet als een wreed wansmakelijk wrang weetjesvertoon)? Neen dus, wat wil zeggen dat we er ons een beeld moeten van maken en is dat niet precies verbeelding? Maar dan is alles verbeelding en dat helpt ons ook niet vooruit. Opnieuw dan maar.

Waarom niet voor de aardigheid zo elementair mogelijk van start gaan. Stel dat hier voor mij een stoel staat en ik zeg: “Hé, hier staat een stoel!” (met enige vorm van verbazing). Dan zou het vreemd zijn mocht een toehoorder of toeziener opmerken dat ik behoorlijk wat verbeelding heb. Maar had ik gezegd “Hé, die stoel doet mij zo denken aan mijn grote liefde. Haar benen waren even rank als de poten van deze stoel, op beide heb ik mogen leunen wanneer het nodig was en, als ik eerlijk moet zijn, haar zitvlak was even begeerlijk om tot rust te komen”, geef toe, dan zou het zeer gepast zijn om mij te feliciteren met mijn enigszins bizarre maar wel rijke verbeelding. Dit opent een interessante te exploreren weg: verbeelding heeft niet te maken met wat het geval is maar integendeel met wat niet het geval is. Voor ik mijn erotisch getinte uitleg (die misschien wel de aandacht van een therapeut zou kunnen verdienen maar daar wil ik het nu liever niet over hebben) heb geformuleerd, had niemand de stoel op die manier bekeken en heeft men mij gefeliciteerd met mijn verbeeldingskracht. Maar, is de uitleg gegeven, dan houdt de werking van de verbeelding op. Deze uitleg maakt nu immers deel uit van de werkelijkheid en mag ons niet meer verrassen. Behalve dan voor diegenen die deze uitleg voor de eerste keer horen, voor hen zal het opnieuw een knap, lichtjes gestoord tentoonspreiden van imaginatie zijn (synoniemen hebben ook hun bestaansreden en hebben gelukkig zelf ook synoniemen zoals gelijkbetekenend wat synoniem is met synoniem maar dat interesseert niemand en getuigt van weinig fantasie, ik bedoel verbeelding!). Dit alles betekent dus dat verbeelding moet te maken hebben met wat niet is. Datgene dat verbeeld wordt mag er op het ogenblik van de act van verbeelding niet zijn maar, is het er, dan is de rol van de verbeelding uitgespeeld. Hoogstens kunnen we ons proberen inbeelden wat het moet geweest zijn om de verbeeldingsact voor de eerste keer mee te maken. “A la recherche de l’imagination perdue”, als ik Marcel Proust mag parafraseren.

Laat ik daar even dieper op ingaan: alles wat niet is. Domme vraag: hoeveel is dat? Is het niet redelijk om te stellen dat er meer niet is dan dat er wel is? Ziehier een naïeve redenering: alles wat mogelijk is, omvat het oneindige of toch op zijn minst kan er geen bovengrens aangegeven worden. Maar alles wat is, is eindig omdat onze wereld nu eenmaal eindig is. Maar oneindig min eindig is nog steeds oneindig en dat is precies alles wat niet het geval is. Een auteur schrijft in haar leven twintig boeken. Hoeveel boeken heeft ze niet geschreven? Honderd, duizend, een miljoen, …? Hoe dan ook meer dan twintig. Diezelfde Einstein van daarnet bedenkt de vergelijkingen van de algemene relativiteitstheorie waarvan het aantal oplossingen in principe oneindig is en slecht ééntje ervan beschrijft ons universum. Er is dus meer niet het geval dan wel. Het is in die zin dat de verbeeldingsact een zuivere scheppingsact is: het onbestaande wordt omgezet in het bestaande. Is het bestaande er dan moet men onmiddellijk op zoek naar andere onbestaanden maar dat is niet erg want de voorraad is onuitputtelijk. Als dat geen vanuit het negatieve geïnspireerde positieve boodschap is!

In mei ’68 was ik vijftien, te jong om de toestand echt beleefd te hebben, oud genoeg om de sfeer opgesnoven te hebben. “De verbeelding aan de macht” drukt voor mij precies die gedachte uit: zie wat is, verbeeld wat niet is, zet het om in wat zal zijn, maak de wereld rijker en vrolijker voor iedereen. Want bovenal ging het daarom: waarom kan deze wereld geen vrolijke plaats zijn? Het is toch maar een kwestie van verbeelding. Of beeld ik mij dit in?

Klik hier om het filmpje te bekijken.