Fenomenologie, kwetsbaarheid en intimiteit

KASK

Intiem en vreemd – eigen en ander: hoe een kleine logische verschuiving het verschil maakt

Gertrudis Van de Vijver

Ik zal vertrekken van de formules van de seksuering van Jacques Lacan, om enerzijds de vraag te stellen naar de logica die werkzaam kan zijn in het erkennen van het gelijke ten koste van het vreemde – bij Lacan: de fallische functie die doorheen eigenschappen herkenbaar gemaakt wordt – “wees … en je behoort tot de fallische groep” – , en om anderzijds perspectief te creëren voor een andere logica, die niet uitgaat van een dergelijke groepsvormende en groepsdragende erkenning is, en die structureel een plaats geeft aan het onmogelijke om te beslissen op grond van eigenschappen. Via deze opstap zal ik argumenteren dat logica een (broodnodige) poging tot metataal is, een poging die kan helpen om, voorbij het wat van het zeggen, de dimensie duidelijk te maken dat er gezegd wordt, door iets of door iemand. Net het vergeten van die dimensie ligt mede aan de basis van al te snelle identificaties, al te snelle groepsvormingen, die al te onkritisch meegaan met wat eigen en wat vreemd is.

 

Pathos en topos, over intimiteit en vervreemding

Volkmar Mülheis

Jean-Christophe Ammann, toenmalig directeur van het Städelmuseum in Frankfort, wees erop dat in een kunstwerk of performance de kunstenaar met ons niet het private deelt, maar wel en op een exemplarische manier het intieme. Een goed voorbeeld is het gedicht Vreemde dagen van Frank Koenegracht. Het onderscheid van het intieme en het private wil ik betrekken op een studie van de responsieve fenomenologie van Bernhard Waldenfels. Verder stel ik mij de vraag welke kanttekeningen hierbij ontstaan vanuit het topische perspectief dat Rudolf Boehm in de fenomenologie heeft geïntroduceerd. En wat betekent dit voor de vraag naar intimiteit en vervreemding?

 

Het lichaam, eigen en vreemd aan het denken

Levi Haeck

Wanneer we ons vragen stellen over intimiteit binnen het raamwerk van de filosofie, dient men zich eerst en vooral te positioneren ten aanzien van de filosofie zelf. Indien zij wordt opgevat als een “denken over het denken”, dan zal de vraag naar de intimiteit ook ergens op dit niveau gesitueerd moet worden. Het thema intimiteit roept echter tegelijk de dimensie van het lichaam op, een voor de filosofie ietwat ongemakkelijke dimensie. Op zijn minst sinds Descartes is het lichaam de nagel aan de doodskist van elke wijsgeer. Het denken moet, enerzijds, resoluut afgezonderd worden van het lichaam, om het als denken te kunnen capteren. Anderzijds blijkt, op even pregnante wijze, dat het denken altijd in conjunctie met het lichaam tevoorschijn komt. Deze paradoxale situatie, wellicht eigen aan de moderniteit, kan elegant ontleed worden aan de hand van het werk van Immanuel Kant. Doorheen zijn oeuvre slaagt Kant erin op originele wijze te duiden waarom het lichaam zowel eigen als vreemd is aan het denken, hetgeen ons toelaat iets te preciseren over onze moderne conditie en de plaats van intimiteit daarbinnen.

1ste namiddagsessie Lezing