Verslag & foto’s

VERSLAG – Socratisch Gesprek o.l.v. Kristof Van Rossem

In een kleine kamer, met stoelen in een cirkel en een flipboard om op te schrijven, komen een tiental mensen samen om deel te nemen aan het gesprek. Na een korte inleiding en de verduidelijking dat het om een schets zou gaan van wat een socratisch gesprek kan betekenen, nam Kristof kordaat de leiding met de vraag naar een recente concrete ervaring van de deelnemers. De groep kiest één ervaring die ze willen bespreken. De formulering van de ervaring neemt wat tijd in beslag omdat de woorden aan het papier worden toevertrouwd als uitgangspunt om door te vragen.

Onmiddellijk valt daarbij op dat de formulering van elke vraag die Kristof stelt, niet gratuit is. Zo vraagt hij meermaals om antwoord te geven op de vraag en geen ander gedachtespoor te volgen. Alsof hij je vraagt een concrete stoel te tekenen die in de kamer staat en hij krijgt een Thonet-stoel op papier. Mooi en goedbedoeld, maar die tekening zat al in je hoofd en is niet het antwoord op de vraag.

Dit lijkt de rode draad te zijn van het hele gesprek. Leren luisteren naar elkaar, wat zegt of vraagt de ander werkelijk. Een boeiende oefening waarbij ik nog dagen erna mijn gedachten bleef herformuleren.

 

 

VERSLAG – Filocafé o.l.v. Alex Klijn

Op stoelkrukken en in een halve cirkel, namen de deelnemers plaats rond Alex Klijn. Net als bij het socratisch gesprek staat een flipboard klaar, om gedachten exact te kunnen formuleren en bij te houden. Maar onmiddellijk valt het op dat hier alles wat losser kan, hoe en wat er wordt opgeschreven, mensen lopen binnen en buiten, de gedachten zijn associatief met elkaar verbonden. Iemand vraagt naar de definitie van een gebruikt woord om orde te scheppen, een ander verklaart dat dit gesprek nu net de manier is om betekenis te geven aan het woord, samen zoekend. Wat vooral bijblijft van het filocafé, is de luisterbereidheid van iedereen én de verscheidenheid aan gedachten die meer tonen dan wat ze kunnen zeggen.

 

 

VERSLAG – Plastisch chirurg Prof. Hubert Vermeersch in gesprek met Sofie Vercoutere

Vanwaar de keuze voor geneeskunde en dan nog dit specifieke domein (herstellende chirurgie)?

Ik begon mijn universitaire loopbaan in het jaar ’68 en had een sterke interesse in de ziekteleer. De keuze voor een gebied dat anatomisch ingewikkeld is,  is er eerder toevallig gekomen tijdens een stage. Eerst was het algemene chirurgie en pas later plastische.

Met welke typische problemen komen mensen bij jullie?

Oncologische problemen/kwaadaardige tumoren. Vaak mensen die het sociaal moeilijk hebben en gezwellen krijgen door overmatig alcoholgebruik, tabakgebruik en slechte voeding.  Ook vaak vanuit esthetisch oogpunt – weliswaar vrij uitgesproken –  mensen die correcties vragen  aan de neus en oogleden. Maximofaciale → trauma met fracturen in het aangezicht.

U heeft 40 jaren ervaring, is een afwijking in het gezicht verschillend dan elders?

Het is sociaal veel moeilijker, de confrontatie is groter.

De meest bekende, tot de verbeelding sprekende ingreep was de aangezichttransplantatie die in 2012 werd uitgevoerd. Hoe is deze transplantatie in zijn werk gegaan?

Dit was een inspanning van verschillende chirurgen. Maar was qua techniciteit eigenlijk niet meer dan een andere techniciteit. Het aangezicht is natuurlijk de spiegel van de ziel en roept veel vragen op. Het kan bovendien verschillende delen bevatten. In deze case diende een groot deel van de kaken getransplanteerd te worden.

Alles begint als een persoon op spoed komt en een groot deel van zijn aangezicht heeft verloren. De vraag rijst of we die persoon in leven kunnen houden, op een leefbare manier weliswaar. In het buitenland is dit niet zo. Hier gaan we in eerste instantie bedekken met weefsel vanop andere plaatsen, in afwachting van verder overleg. Als men ergens weefsel verloren heeft kan men dit vervangen door weefsel te nemen vanop andere plaatsen (=transplantatie binnen de mens zelf), of weefsel van anderen. Achteraf kan zich hier een probleem voordoen, het ander weefsel kan afgestoten worden. Mensen kunnen 10 jaar van hun leven verliezen door andere lichamelijke problemen, met potentieel grote risico’s. Voor de patiënt in kwestie moet hier een afweging gebeuren, leven met een afwijking, of leven met mogelijke risico’s.

Een groot verschil bij deze patiënt was dat de tongfunctie, het slikken, de ademhaling- en stemfunctie normaal was (eerste overweging die moest gemaakt worden) → men kon fysisch potentieel zeer goed functioneren.

Cf. vertoning fragment, geen foto’s van de betrokkenen, maar een animatie/3D-planning in de virtuele wereld.

Antwoord op een vraag: de donor is breindood maar het weefsel moet van goede kwaliteit zijn.

Het is niet zo dat een getransplanteerd gezicht hetzelfde blijft als van de donor.

De herkenning en acceptatie worden intensief begeleid door psychologen.

Een donor moet zich aanmelden. Dit geval heeft 1 jaar geduurd (voorbereiding).

Men moet beroep doen op technici. Samenwerking van verschillende mensen (65 in totaal).

Je ziet een defect en moet op zoek gaan naar een model. Er wordt plastisch materiaal gemaakt dat virtueel zou passen. Er wordt een 3D gedaan om een model te maken, dit wordt op de operatietafel gebruikt. Voor een transplantatie moet men bloedbanen en zenuwen aankoppelen (de vastkoppeling is belangrijk voor de motoriek).

Beenderweefsel moet getransplanteerd worden, de sensibele zenuwen moeten gekoppeld worden (het geheel gevoelig maken), in deze case is dit allemaal gelukt.

Volgens de Belgische wetgeving is iedereen een donor. Het is een regel die helpt maar er wordt altijd eerst door transplantatiecoördinatoren aan de familie gevraagd of dit kan.

Een zeer grote bijdrage is er geweest van de anaplastoloog Jan De Cubber, een autodidact (herstelling van anatomie, aanmaak nieuwe neus edm. in siliconen). Hij heeft een dodenmasker gemaakt voor de familie om de overledene te begroeten.

Als siliconen gebruikt worden, moeten deze ook verankerd worden. Chirurgen gebruiken hiervoor implantaten. Neus, keel, oor zijn de voornaamste lichaamsdelen die gemaakt worden in siliconen, deze worden vastgeschroefd met een kliksysteem.

Is dit alles sociaal rechtvaardig? Men kampt toch met een grote personeelskost (65 betrokkenen)?

De kosten zijn zoveel mogelijk gereduceerd, iedereen wordt betaald door het ziekenhuis (algemene werking). De verschillende operaties die er aan te pas komen, kennen natuurlijk wel een hoge kostprijs, het gaat tenslotte om 2 x 24 uur. In deze case was het financieel verantwoord om het te doen.

Wanneer is een operatie succesvol?

Als men sociaal opnieuw acceptabel is.

Vond de patiënt het gerechtvaardigd? Is hij gelukkig?

De professor ziet de man nog zeer regelmatig, gaat nog vaak op consultatie. Het team spreekt er ook nog vaak over. Het loopt prima, en ja, de man is gelukkig.

Welke verdere evolutie is mogelijk?

Helpen in het transplanteren van kleinere organen, bijvoorbeeld een nieuw oor, nu heeft men nog het probleem van de afstoot. Mocht dit verbeterd kunnen worden, bv. stamcellen, zonder of verbeterde medicatie, zou dit een grote evolutie zijn.

Waar ligt uw persoonlijke grens?  Esthetische heelkunde is niet zijn werkterrein. Aan ‘futiliteiten’ begint hij niet.

De professor is ook sociaal actief in Afrika, verdere plannen?

Vooral het opzetten van lokale programma’s: mensen plaatselijk opleiden, empowerment. Hij krijgt daar veel van terug, spin off naar onderzoek, contacten, is een win-win situatie.

Met dank voor het gesprek.

 

 

VERSLAG – Mens en techniek in filmfragmenten – lezing van Jo Smets

Van Vertov tot Cameron

Film is, meer dan andere kunstvormen, een medium dat doordrongen is van techniek. De toeschouwers van de eerste filmvoorstellingen waren soms meer gefascineerd door de werking van de filmcamera’s en projectoren, dan door de film zelf. Hoe was het mogelijk dat een lichtbundel beweging van mensen, dieren of planten toverde op een vlak scherm? De eerste regisseurs-cameramannen zagen snel in dat film bovendien erg geschikt is om andere technologieën in beeld te brengen. Getuige daarvan de talloze train films, waarbij stoomtreinen het landschap doorkruisen of het station binnenrijden. Soms werd de camera vooraan de trein geplaatst, zodat de kijker het voorbijschuivende landschap vanuit een geprivilegieerde positie kon aanschouwen.

Twintig jaar na het ontstaan van de cinema verdiepten verschillende Russische regisseurs hun kennis over filmtechniek, filmtheorie en filmtaal. Kuleshov was in de weer met montage-experimenten, Eisenstein ontwikkelde zijn ‘intellectuele montage’ en ook David Kaufman – alias Dziga Vertov – exploreerde de mogelijkheden van expressieve montage. Jo Smets toont de beginsequens van Vertovs bekendste film, De man met de camera (1929), waarin de dubbele fascinatie voor techniek – de filmtechniek en het filmen van techniek – op weergaloze wijze wordt weergegeven. Beelden opgenomen in Moskou, Kiev en Odessa werden samengesmeed in een dynamische montage die de Russische stad van de toekomst voorstelt: een moderne urbane omgeving die leeft en bruist dankzij nieuwe technologieën. In die stad bevindt zich ook een bioscoopzaal. Vertov brengt expliciet de machinerie van de cameraprojector in beeld. De mannen die de camera’s bedienen, lijken een eenheid te vormen met hun complexe filmmachine, die ze met sprekend gemak bedienen. Boeiend was Smets’ montage van Vertovs ritmische, industriële machines met beelden van hedendaagse robotten die ingezet worden voor de assemblage van auto’s of – om een ludieker voorbeeld te geven – het kleuren van biljartballen. Als kijker is het moeilijk om die doelgericht werkende automaten géén menselijke eigenschappen toe te dichten.

Films zijn echter zelden zo technofiel als De man met de camera. Ondanks het feit dat film leeft bij gratie van techniek, kiezen veel klassieke films voor een meer technofobe benadering. In Metropolis (1926, Fritz Lang) staat techniek niet ten dienste van de mens – zoals in Vertovs futuristische stad – maar zorgt hij voor vervreemding. Arbeiders worden gereduceerd tot willoze automaten. De futuristische wereldstad uit Blade Runner (1982, Scott) is een mengelmoes van oude en nieuwe technologieën die leidt tot sociale ongelijkheid, dood en verval.

In het oeuvre van James Cameron speelt zowel technofilie als technofobie een belangrijke rol. De cyborg uit The Terminator (1984) is een amorele vechtmachine die de destructie van de mensheid voor ogen heeft, maar weliswaar door mensen is ontworpen. Terminators promoveren de symbolische eenheid van de cameraman en zijn filmmachine tot een organische eenheid: ze zijn hybriden van metaal en bloed. Scènes waarin het cyborglichaam wordt verwond of opengesneden, fascineren én stoten af. In de Terminator-tetralogie is de angst voor technologie dominant, maar toch is er hoop: cyborgs kunnen geherprogrammeerd worden om ten dienste van de mensheid te staan. Wat het filmmetier zelf betreft, is Cameron altijd op zoek naar nieuwe technieken om de filmbeleving intenser te maken. Zoals Vertov experimenteerde met double exposure, fast motion of split screen, zo verkent ook Cameron steeds nieuw cinematografisch terrein. Exploreren betekent voor hem het loslaten van oude technieken (analoge film) en het toepassen of ontwikkelen van nieuwe. Hij construeert zelf 3D-camera’s en houdt een warm pleidooi voor 3D als het formaat van de toekomst. Camerons verkenningsdrang beperkt zich niet tot film. Zijn diepzee-exploratie van het Titanic-wrak is een van de ervaringen die leidde tot de bouw van de Deepsea Challenger, een bathyscaaf waarmee hij afdaalde in de Marianentrog tot op een diepte van bijna 11 kilometer, een exploot dat hij – hoe kon het anders – vastlegde met 3D-camera’s.

Vertov en Cameron creëerden unieke visies op film en techniek, maar de ultieme film over dit thema blijft voor Smets 2001: A Space Odyssey (1969, Kubrick). De mensapen die voor het eerst op het idee komen om botten als gereedschap en als wapen te gebruiken (een idee dat hen allicht werd ingegeven door de monoliet, een staaltje van buitenaardse technologie dat plots in de leefomgeving van de primaten was verschenen ), worden meteen de dominante groep. Technologie en geweld zijn zo van meet af aan met elkaar verbonden. Via de bekendste match-cut uit de filmgeschiedenis wordt het bot, door de enthousiaste primaat in de hoogte geworpen, geassocieerd met een ruimteschip. Dit ene shot visualiseert in enkele seconden een sprong van miljoenen jaren en toont de grenzeloosheid van de menselijke exploratiedrang geen. Even volhardend moeten we ons filosofische en ethische vragen blijven stellen over de pro’s en contra’s van nieuwe technologieën.

Tim Deschaumes

Avatarmotioncapture foto film mens en techniek (2)

Man_with_a_Movie_Camera_poster_2 film mens en techniek

 

 

VERSLAG – Leven met technologie – Tsjalling Swierstra

 

Het ontstaan van de techniekfilosofie is het gevolg van verschillende verschuivingen binnen de maatschappij en de filosofie. Zo maakte het tot 1850 niet uit waar men woonde, het gemiddelde inkomen per persoon was nagenoeg overal gelijk. Na de Industriële Revolutie steeg dit inkomen op verschillende plaatsen, waardoor er verschillen onstonden in o.a. levensverwachting en scholingsgraad. Na 1850 veranderde dus ‘alles’. Dit is echter onvoldoende als verklaring voor het bestaan van de huidige techniekfilosofie.

Techniek kruipt ons ook steeds naderbij. Vroeger was techniek ‘daar’ en nu is techniek ‘in’ ons, denk maar aan prothesen, Deep Brain Stimulation (stimulatie van de hersenen via een elektrode bij Parkinson-patiënten) of de Mind Walker waarbij mensen met een verlamming een mechanisch exoskelet ‘besturen’ via hun hersenen. Techniek zit ook ‘tussen’ ons. Op de bus of de tram zitten veel mensen te prutsen aan een gsm, Google Glass maakt zijn opmars en er bestaan apps die ons gezondheidsadvies op maat kunnen geven. Techniek ‘als’ onszelf kunnen we terugvinden bij de ‘human robots’. Het is geen toeval dat Japanners hierin voorlopers zijn, aangezien zij het minder eng vinden als een robot menselijke trekjes heeft.

Technofobie (angst voor de dingen) is een centraal begrip in de klassieke techniekfilosofie. Deze angst komt voort uit de dreiging dat techniek de mens tot slaaf zal maken. Het resultaat hiervan is dehumanisering, waarbij de wereld van de geest wordt overheerst door materialiteit.

Deze angst verdwijnt bij de recente techniekfilosofie. In de plaats daarvan draait alles rond relationisme. Wij zijn immers mensen zoals we zijn in relatie tot de dingen die ons omringen. Je kan immers pas weten wat een vrouw is als je definieert wat een man is. Swierstra had zijn studenten eens gevraagd wie zijn gsm zou willen afgeven. Geen enkel hand ging de lucht in; de gsm maakt dus initieel deel uit van hen.

Wij vormen de techniek

Het is dus interessant om te kijken hoe mens en techniek op elkaar inspelen. De uitspraak ‘dat vooruitgang niet te stoppen is en dat je het ook niet mag proberen’ is inmiddels weerlegd. Sociale factoren spelen een belangrijke rol, de politiek en de maatschappelijke agenda hebben invloed op de technologie. Als resultaat hiervan zijn de auto’s van vandaag bijvoorbeeld minder vervuilend dan deze van 20 jaar geleden. Eens de mens echter een stap zet, worden zijn keuzes gestuurd. Aan het begin van de 20e eeuw geleden moest de keuze worden gemaakt tussen elektriciteit en benzine als bron voor de auto. Benzinewagens met dat luide en stoere geluid kregen de voorkeur en niet de (te) stille wagens op elektriciteit. Als gevolg daarvan moet de mens vandaag binnen de technologische infrastructuur van de benzine-auto zoeken naar duurzame vernieuwing. Daarbij wordt technologie ontwikkeld met een bepaald doel, maar krijgt deze soms later een heel andere rol. Zo werd de laser in de jaren 50 ontwikkelt als satelliettechniek, en wordt deze vandaag o.a. gebruikt om dvd’s te lezen. De technologie die het beste aangepast is aan de (techno-sociale) omgeving overleeft, aldus Swierstra.

De techniek vormt ons

De kleinste knop op de spoelbak van een toilet kan ons verleiden om minder water te verbruiken en een remdrempel dwingt ons om trager te rijden. Soms vormt de techniek ons op een meer subtiele manier. Zo bevat volgens sociologe Madeleine Akrich elke voorwerp een script. Voorwerpen kunnen de gebruiker impiciet een handelingsprogramma voorschrijven. Een boormachine wordt gemaakt voor grote (mannelijke) handen en bevat dus een seksscript.

Techniek kan moraal destabiliseren zodat deze in ethiek verandert. Het wordt onverantwoord om je kind ‘s avonds huis te laten fietsen zonder gsm op zak terwijl er vroeger geen gsm was. Een tegenwerping kan zijn dat techniek ons lichaam kan dwingen, maar niet onze geest. Moraal zit immers in de redenen waarom we iets doen, en niet in wat we doen. Maar dit staat dan weer tegenover het relationisme van de klassieke techniekfilosofie, waarbij lichaam en geest vervlochten zijn. Techniek kan ook leiden tot moraal. De ontwikkeling van de pil bevorderde de rechten van de homoseksuelen; seks hebben met als enige doel genot was nu ook mogelijk voor heteroseksuelen.

Techniek kan beïnvloeden met wie we moreel rekening houden. Dankzij de televisie worden er meer mensen lid van onze morele gemeenschap. Mensen kunnen echter ook aan ons zicht worden onttrokken door techniek. Vergelijk bijvoorbeeld een mes en een atoombom als moordwapen. Het eerste is een ‘opvallender’ en ‘persoonlijker’ wapen, terwijl het tweede met een simpele druk op de knop veel slachtoffers kan maken, waarna de dader bij wijze van spreken gewoon weer naar huis keert. Deze perverse werking van een atoombom komt doordat er geen feedback-relatie met de slachtoffers plaatsvindt. Het doden met drones zorgt dan weer voor psychologische problemen bij Amerikaanse soldaten doordat deze hun slachtoffers kunnen zien via videocamera’s en deze relatie dus wel aanwezig is.

Techniek schept en lost morele problemen op, en moraal schept en lost technologische problemen op. We moeten leren erkennen en evalueren hoe onze levens met techniek zijn verweven, besluit Swierstra.

Tess Bertels

 

VERSLAG – Hoe media ons leven bepalen – Yoni Van Den Eede

 

Wat ‘zijn’ media? Als je deze vraag stelt, veronderstel je dat media überhaupt iets kunnen zijn. Volgens Van Den Eede moeten we van dit beeld af, en daarom haalt hij de Canadese natuurwetenschapper Herbert Marshall McLuhan (21 juli 1911 – 31 december 1980) aan.

Om media te begrijpen, zegt McLuhan in zijn boek Understanding Media: The Extensions of Man eerst wat media ‘zijn’. Media zijn essentieel verbonden aan het zintuigelijke; het zijn ‘extensies’. Zo zijn kleren een extensie van de huid, is een zaag een extensie van de tanden … Hetzelfde kan gezegd worden over de duo’s koelkast-maag, camera-oog, hamer-vuist … Media versterken een normale situatie (denk aan de hamer als extensie van de vuist) en lossen abnormale situaties op (de bril als extensie van het oog).

McLuhan trekt dit idee door naar de hele maatschappij en volgens hem is alles begonnen met de uitvinding van de drukpers in de 16e eeuw. Dit medium is niet alleen een extensie van het spraakvermogen, maar heeft nog andere effecten die verder gaan dan enkel het zintuiglijke. Het gaat hier over mogelijkheden en vaardigheden: de drukpers heeft onze wereld veranderd. Neem nu een boek, een individualistisch medium. Om een boek te lezen moet je alleen zijn en daarom werkt een boek onze individualistische cultuur in de hand volgens McLuhan. In zogenaamde primitieve culturen is niet de geschreven, maar de orale en auditieve communicatie dominant, wat voor een heel andere ervaring zorgt. McLuhan verbindt de vorm van het medium met de maatschappij.

De mythe van Narcissus ziet McLuhan als een metafoor voor hoe wij met onze media omgaan. Volgens hem had Narcissus niet door dat hij de persoon was naar wie hij in het water keek. Op diezelfde manier kijken wij naar media; we worden verliefd op onze media en gaan ze bekijken als vreemde dingen en vergeten dat ze van onszelf (als extensie) komen.

Een beroemde uitspraak van McLuhan, ‘the medium is the message’, stelt dat de vorm van een medium een belangrijke impact heeft op de inhoud van het medium. De vorm is hier niet enkel de materiële vorm, maar ook de effecten waarvoor het zorgt. Denk opnieuw aan de drukpers die weidse effecten heeft op de samenleving.

Media zijn omgevingen. Een auto is bijvoorbeeld niet enkel een transportmiddel, de auto is en creëert een omgeving (benzinestations, olie-industrie …). Het vergt oefening om voorbij het object te denken.

Marshall McLuhan vatte zijn ideeën over media samen in vier verschillende effecten die media kunnen hebben op de samenleving (enhancement, obsolescence, retrieval, reversal). Een medium kan iets verbeteren, waarmee hij op de extensies doelt. Een medium doet iets verouderen (e-mail vs. papieren brief) en haalt iets terug (film haalt toneel terug). Een medium kan ook keren op zijn hoogtepunt (een file doet de auto dalen in zijn functionaliteit). Van Den Eede geeft het medium drank als uitgewerkt voorbeeld. Drank is een medium, want door de mens gemaakt. Drank maakt mensen levendiger of agressiever (enhances), en keert vaak om in een kater (reverses). Drank brengt liedjes zingen in de mensen naar boven (retrieves) en zorgt ervoor dat private remmingen verdwijnen (obsolesces).

Volgens McLuhan moeten we media bekijken met de instrumenten die hij ons aanreikt in zijn boek, analytisch en vanop een afstand, zo besluit Van Den Eede.

Tess Bertels

 

VERSLAG – De slimme contactlens

 

Jelle De Smet is een jonge burgerlijk ingenieur die een nieuw soort contactlens ontwikkelt, een ‘slimme’ contactlens. Een lens die meer doet dan enkel het zicht verbeteren van de drager. Een lens die kan meten en die op het oog extra beelden projecteert en daardoor informatie biedt. Tijdens deze presentatie gaf hij een historisch overzicht van de ‘slimme’ contactlens en legde hij zijn onderzoek uit, gevolgd door een discussie met het publiek.

 

Het oog is een heel geavanceerd en complex orgaan. Wanneer je het zou vergelijken met een camera, kan je zeggen dat het oog ongeveer 120 megapixels heeft, tegenover ongeveer 20 megapixels bij de reflexcamera’s van tegenwoordig. Indrukwekkend, maar het oog heeft ook vele gebreken. Veel mensen hebben problemen met het zicht. Het oog ziet ook niet alles, en geeft vaak de dingen verkeerd weer. Het oog is dus vatbaar voor verbetering. Brillen en contactenlenzen brengen al soelaas voor veel mensen, maar het zou nog beter kunnen met een ‘slimme’ contactlens. Een lens die actief een complex probleem oplost, zoals het regelen van de suikerspiegel of het projecteren van gevraagde informatie op het oog.

De slimme contactlens is iets nieuws en nog volop in ontwikkeling, maar heeft al een lange voorgeschiedenis. In 1888 was er de eerste contactlens, toen nog gemaakt van glas. Het was verre van functioneel, want door het glas sloegen de ogen rood uit. De decennia daarna werden een zoektocht naar een geschikt materiaal, en tegenwoordig worden de contactlenzen gemaakt van een zacht materiaal. Een gelijkaardige zoektocht stelt zich ook bij de slimme contactlens, want bij de meeste lcd-schermen van nu wordt nog op glas geprojecteerd.

De eerste slimme contactlens was een lens met een spiegeltje, daarna kwam een lens met een spoel, in 1983 kwam er een contactlens tegen ‘clauroom’ (te hoge oogdruk), en in 2009 kwam de eerste contactlens met een antenne en die in staat is met sensoren de oogdruk te meten. Die laatste lens is momenteel al op de markt. Ondertussen bestaan er ook al contactlenzen die de suikerspiegel bij de drager kunnen monitoren, door te meten in het traanvocht.

Jelle De Smet ontwikkelt nu een contactlens met een lcd-scherm in zich. Een eerste mijlpaal is al bereikt. Hij slaagde erin een contactlens te maken waarin het dollarteken knippert, verwijzend naar de tekenfilmfiguurtjes met knipperen dollartekens in hun ogen als ze geld ruiken. Maar het werkt nog niet autonoom, de lens krijgt via een draadje nog energie. Ook is het aantal pixels nog heel beperkt.

Slimme lenzen bestaan dus al enige tijd, maar ze zijn nog allesbehalve praktisch. Het grootste probleem op dit moment is dat ze nog niet autonoom kunnen functioneren. Wat men eigenlijk met de slimme contactlens wil bereiken is ‘augmented reality’, een volledig autonoom scherm dat extra informatie kan weergeven op de contactlens. Zoals de Google-bril momenteel, maar dan met een contactlens, en zonder dat het noodzakelijk verbonden is met een smartphone.

Discussie

Na de presentatie van Jelle De Smet was er ruimte voor het publiek om vragen te stellen en een filosofische discussie te voeren. De belangrijkste bekommernis die werd geuit was dat ingenieurs meestal niet bezig zijn met de maatschappelijke implicaties van hun werk, en zich vooral focussen op creativiteit. Is men zich bijvoorbeeld bewust van de mogelijke maatschappelijke gevolgen van deze slimme contactlens? Hierop volgde een discussie tussen de deelnemers onderling. Er waren er die heel bezorgd waren en hierbij onze individuele vrijheid en privacy in gedrang zagen komen. Anderen stelden dan weer dat er bij elke nieuwe technologie bezorgdheden opduiken, maar deze meestal overroepen zijn. Elke technologie is vatbaar voor misbruik, maar de meeste mensen springen er steeds op een verantwoorde wijze er mee om.

Iemand repliceerde bijvoorbeeld dat er momenteel al voldoende regelgeving is die ook nieuwe technologieën kan dekken. Denk maar aan de privacy-wetgeving. De Google-bril zou nu al sterk beperkt worden door de bestaande privacy-wetgeving. Een nieuwe wetgeving zou bijna niet nodig zijn. Misschien volstaat een ‘etiquetteboekje’? Een dergelijk boekje wordt nu al meegeleverd met de Google Glass. Daarin staat uitgelegd hoe je de Google-bril moet gebruiken met respect voor anderen. In plaats van nieuwe regels in te voeren kunnen we aanleren hoe op een verantwoorde manier met nieuwe technologieën om te gaan.

Toch was er één deelnemer die ernstig bezorgd was. Niet zozeer om specifieke kwesties zoals de privacy, maar om de algemene tendens dat wij ons meer en meer overgeven aan nieuwe technologieën, zonder dat wij bewust zijn wat dit betekent of kan betekenen voor ons. Hij vroeg zich onder meer af waarom er over medische ontwikkelingen wel ethische comités bestaan, maar over niet-medische niet? Moet er zich bijvoorbeeld geen ethisch comité buigen over de Google-bril of de contactlens van Jelle?

Aeneas De Baets

 

 

DSC_0165                                     DSC_0152

 

DSC_0150            DSC_0147

 

DSC_0144            DSC_0133

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s