Verslagen 2015

Socratisch gesprek

Socratisch gesprek_dvdfKristof van Rossem gaf tijdens de filosofiedag veertien liefhebbers een voorproefje van een socratisch gesprek. Het ging om een smaakmaker, want een uur is wel heel krap voor een type gesprek dat van 2.5 h tot 5 dagen kan duren. Maar door hier en daar de normale spelregels vrij te interpreteren en lichtjes bij te sturen kregen de deelnemers toch een idee van de methodiek.
Het was een Duitse filosoof met de Engelse naam Leonard Nelson die begin twintigste eeuw de door Plato beschreven werkwijze van zijn leermeester opnieuw onder de aandacht bracht en ze in z’n huidige vorm goot.
Ik geef in telegramstijl het verloop van het gesprek weer waarbij u er de herhalingen, uitweidingen en hoekige formuleringen bij denkt zodat u een idee krijgt hoe het komt dat zo’n gesprek vijf dagen kan duren. Laat u niet misleiden door mijn ironie, want het was voor iedereen een aangename kennismaking die uitstekend begeleid werd.

Iedereen vertelt een zelf meegemaakte ervaring/de verteller vindt daar iets van/hij-zij kleeft een mening op het verhaal/gespreksleider grijpt in als iemand de pure ervaring verlaat en begint uit te weiden/moderator herformuleert een al te chaKristof Van Rossemotisch vertelde situatie ( dit is een shortcut wegens tijdsbeperking)/als het te algemeen beschouwend wordt vraagt moderator om te concretisering/één verhaal uit de reeks wordt democratisch gekozen/nu gaan we pas echt van start/verteller schets de situatie iets grondiger/deelnemers stellen vragen ter verduidelijking/moderator waakt erover dat de vragen op feitelijk niveau blijven en dringt er op aan dat datgene wat men te zeggen heeft in een vraag gegoten wordt en niet in een beschouwende tekst/nu moeten de deelnemers formuleren wat ze er zelf van vinden/hier komt het vakmanschap van de gespreksleider aan bod want nu gaat hij via de befaamde maieutiek of verloskunde van Socrates er, door middel van volhardende waaromvragen, voor zorgen dat de leden zelf ‘bevallen’ van eigen inzichten. Eerder dan dat hij of wie dan ook hen zou vertellen wat het juiste standpunt is. Zo drijft hij hen naar de kern van de zaak en laten de gesprekspartners stilaan al hun evidenties en zekerheden los/ de techniek leidt tot een aantal conclusies waaruit er één gekozen wordt die als het kernachtigst wordt ervaren/ opnieuw bevraging en correctie als er afgedwaald dreigt te worden/afsluiten met de vraag wat we er aan gehad hebben en waarom.

Zoals het in de filosofie past krijgen we geen oplossingen, laat staan therapieën, aangereikt. Ieder voor zich heeft alleen maar onderzocht of zijn eigen oordeel coherent is. Of hij zichzelf niet tegengesproken heeft, of de eigen uitgangspunten standhouden en zo ja, of hij daar dan naar gehandeld heeft. Verdomd moeilijk. Vandaar dat we soms zo’n omslachtige methodiek en een vasthoudende gespreksleider nodig hebben om dat resultaat te bewerkstelligen. Het zal niet altijd lukken, maar àls het lukt, dan zal je achteraf het verfrissende gevoel hebben dat je door een grondig opgepoetste bril, niet naar het antwoord, maar naar een geherformuleerde vraag kijkt. Laten we mensen die beweren wèl het antwoord te kennen steeds met zeer veel achterdocht benaderen.

Verslag: Max Schneider

Het filosofisch café

Filosofisch cafe_dvdfDe ontspannen sfeer, de drankjes en de versnaperingen heeft het filosofisch café gemeen met een gewoon café, maar daar houdt de vergelijk toch op. In beide horecalokalen wordt veel gepraat, maar de gesprekken zijn van een geheel andere orde. Niet dat er in een filosofisch café alleen maar moeilijke dikke ondoorgrondelijkheden besproken worden terwijl het in “Het wit paard’ als eens over de koers en de vrouwen mag gaan. Neen, daar zit het verschil niet. In een filocafé mag er zelfs gelachen worden terwijl er ook in een gewoon café toch al eens diep gemijmerd wordt. Het verschil zit eerder in de methodiek.
De werkwijze heeft haar wortels in het Socratisch gesprek waarbij er ook een gespreksleider is die een en ander in goede banen leidt. Of dat toch probeert, want het vraagt wel wat vakmanschap en ervaring om een groep bij de, nochtans heldere uitganspunten, te houden.
Die basisprincipes komen afhankelijk van de aanpak en persoonlijkheid van de gespreksleider, ruwweg hier op neer: we onderzoeken samen één, goed afgebakende vraag die liefst concreet is en vanuit een ervaring vertrekt. Het is geen debat dat men kan ‘winnen’, maar een poging de vraag steeds verder uit te puren door mekaar te blijven bevragen. Het onderzoek begint pas als we de vraag héél scherp geformuleerd hebben.
Ook hier hangt alles af van de alertheid, de ervaring en het vakmanschap van de gespreksleider. Want geef tussen de tien en de twintig mensen een drankje, een onderwerp en veel tijd en het laat zich voorspellen dat het gesprek werkelijk àlle kanten uitgaat. Maar dat was nu juist níet de bedoeling natuurlijk. Weten wat je onderzoekt en daar dan ook bij blijven is de boodschap.
Het valt me daarbij op dat ik bij alle filosofisch cafés die ik al bezocht heb ongeveer dezelfde struikelblokken tegenkom. Het gaat vaak om heterogene groepen met vrij grote verschillen tussen de individuele leden qua belezenheid en argumentatietechniek. Er is er altijd minstens eentje die zich gefrustreerd voelt omdat hij de indruk krijgt niet te kunnen volgen. Er is er ook altijd eentje die het niet kan laten zijn vermeende eruditie te etaleren. We hebben meestal ook een “eigen ei-legger”. Gelukkig bestond de meerderheid ook nu weer uit mensen die oprecht de eigen standpunten willen onderzoeken en daarbij gelijkgestemden opzoeken.

Verslag: Max Schneider

De school van de ongelijkheid: een kus van de juf en een bank achteruit

Decruynaere en Nicaise_dvdfVerslag debat “De school van de ongelijkheid: een kus van de juf en een bank achteruit (Idès Nicaise (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving), Pascal Vanhoecke (directeur Atheneum Merelbeke), Elke Decruynaere (schepen Onderwijs, Opvoeding en Jeugd, stad Gent). Moderator Hildegarde Verwulgen (Pedagogische Begeleidingsdienst Stad Gent)

Het debat werd ingeleid met een tiental minuten film gemaakt door de Toekomstfabriek rond “Sociale Ongelijkheid op School”. Hierbij werd een eerste inleiding op de problematiek geschetst. Na de film was er geen debat, maar werd de inleiding op de problematiek verbreed door de inbreng van bovengenoemde sprekers.

In de film kwamen interviews aan bod met Idès Nicaise die ook deel uitmaakte van het panel, met Sofie Strobbe, directeur van de Jenaplanschool De Feniks in de Brugse Poort Gent en met Jeroen Robbe van vzw. Labo. Hierbij werd verwezen naar de betekenis van vorming op alle niveaus, ondermeer in het verlengde van waar vzw LABO voor staat. De aanpak van Labo is inspirerend voor de school die ongelijkheid wil aanpakken: het heeft aandacht voor groepsdynamische aspecten bij het leren en is ervaringsgericht. LABO benadrukt het belang van opvoeding tot kritische burger. LABO is geïnspireerd door Paulo Freire en is gericht op emancipatie en sociale verandering

Kenmerkend voor het stedelijk onderwijs van de stad Gent is het relatief grote aandeel van de projectscholen: Freinet, Dalton, Jenaplan, enz… Het zijn alle onderwijsvormen waar naar mogelijkheden gezocht wordt om aan te sluiten bij de belevingswereld en de interesses van de kinderen. In het betoog van Sofie kwam aan bod dat ongelijkheid niet alleen te maken heeft met de ongelijkheid tussen kinderen om een bepaald eindresultaat te halen. Niet alle kinderen zullen hoge academische toppen scheren, maar alle kinderen hebben recht op goed onderwijs en ingaan op de talenten van de kinderen is meer dan het behalen van eindtermen, hoe belangrijk ook. Opdat kinderen zouden uitgroeien tot actieve burgers is het vereist aansluiting te vinden bij hun interesses en hun leefmilieu en die op te tillen.
De Feniks is een school met een zeer heterogeen publiek, wat Sofie als sterkte koestert. Kinderen verschillen en daar moet profijt uit gehaald worden: op die manier kunnen ze van elkaar leren. In het bijzonder constateert ze dat de “inter-ethnische” contacten erg belangrijk zijn. Kinderen leren immers niet alleen van de leraar, maar ook van elkaar. Het belang dat gehecht wordt aan die heterogeniteit komt ook tot uiting in de groeperingsvorm van de leerlingen waar niet meer gewerkt wordt met een indeling op grond van de kalenderleeftijd.
Gezien het project van de school ook hoog opgeleide ouders aantrekt is het punt om ervoor te zorgen dat de huidige sociale mix behouden blijft. Hoewel niet de enige factor benadrukt ze het belang van een regeling waarbij supplementaire middelen toegewezen worden à rato van het aantal kinderen uit meer kansarme gezinnen.
Het belang van de heterogeniteit wordt doorgetrokken naar het team: ook hier vormen de verschillen een basis om van elkaar te leren. Coöperatie binnen de leefgroepen, binnen het team en met de ouders is een voorwaarde om te komen tot reële onderwijsvernieuwing in het voordeel van alle kinderen.

Na de film schetsen de sprekers een aantal mechanismen die een ongunstige invloed hebben op de ontwikkelingskansen van kinderen uit een lager socio-economische milieu en migrantenkinderen.

Idès Nicaise verwijst ondermeer naar:
• het selectieve karakter van onderwijs dat onvoldoende aandacht heeft voor het “misleidende karakter” van de meritocratie. Misleidend omdat gelijke kansen voor kinderen met sterk ongelijke startsituatie die kinderen niet toelaat om op optimale wijze te profiteren van onderwijs. Verschillen in voor- en buitenschoolse situatie worden immers onvoldoende in rekening gebracht.
• het tijdstip waarop een keuze moet gemaakt worden in het secundair onderwijs tussen ASO, TSO en BSO. Deze vroege scheiding is vooral nadelig voor kinderen die met achterstand uit het basisonderwijs komen.
• de waardering tussen deze onderwijsvormen die niet als gelijkwaardig worden ervaren. Kinderen die doorstromen naar het beroepsonderwijs haalden minder gunstige resultaten in het basisonderwijs, vanwaar de lagere verwachtingen die in het beroepsonderwijs gesteld worden en het gevoel bij de leerlingen dat ze niet echt meetellen. De aanzuiging van het ASO geeft ook aanleiding tot een lagere waardering voor het technisch onderwijs, dat nochtans beter aansluit bij de talenten van een groot aantal kinderen. Hoewel IQ een eenzijdige benadering is van talenten, vormt het nog altijd de belangrijkste basis voor de studiekeuze.

Hij geeft ook aan dat “ongelijkheid” ook filosofisch moet benaderd worden. Zo constateert hij dat sociale ongelijkheid binnen de school in Europa verschillend gepercipieerd wordt:
• Er is een meritocratische benadering, die in onze contreien vooral op de voorgrond kwam: “Je moet talenten koesteren, want dat is ook belangrijk voor de samenleving. Die talenten moet je zo vlug mogelijk detecteren. Daarnaast is inspanning belangrijk: de plaats die iemand toegewezen moet krijgen wordt dan bepaald door het talent en de inspanning die betrokkene levert. Dit zijn de enige criteria die in onderwijs mogen gehanteerd worden”. Daarom werd de relatie tussen de afkomst van de leerling en de schoolresultaten als een probleem ervaren: talent ging verloren.
• Daarnaast onderscheidt hij een meer egalitaire benadering, die meer voorstanders heeft in Noord-Europa, waarbij de nadruk ligt op het recht op onderwijs voor iedereen en in regel ook een brede basisvorming voorzien is voor alle kinderen die de tijd krijgen om zich te ontwikkelen en waar leerlingen maar op latere leeftijd in aparte studierichtingen geplaatst worden (b.v. vanaf 16 jaar).

Pascal Vanhoecke_dvdfOok Pascal Vanhoecke benadrukt dat een goede basisvorming voor iedereen steeds noodzakelijker is als we actief burgerschap vooropstellen, gezien de steeds complexere toekomst, de wereldvraagstukken waar we als samenleving mee geconfronteerd worden (cf. klimaat, het bestrijden van racisme, vooroordelen, enz..). We moeten investeren in “kritisch burgerschap”. Het gaat bij onderwijs om meer dan “kopjes vullen”. Kwalificatie is belangrijk, zich kunnen invoegen in een cultuur ook, maar ook subjectwording is dat.
Hij benadrukt de sterke invloed van het onderscheid tussen “slimme” en “domme” kinderen. Als psycholoog legt hij er de nadruk op dat de psychodiagnostiek een sterke foutenmarge te zien geeft en dat de invloed van het sociaal milieu op de resultaten onderbelicht blijven. Temeer omdat de ongelijkheid binnen de maatschappij er ook aanleiding toe geeft dat sommige kinderen ook buiten de school, b.v. in een prikkelarme omgeving, onvoldoende kansen krijgen. Daarom is het essentieel dat de school ervoor zorgt dat die leemtes aangevuld worden. Maar ook dat de psychodiagnostiek, die nog sterk gerelateerd is tot het IQ, een opener karakter krijgt, waardoor duidelijker wordt wat de zone van de naaste ontwikkeling (Vygotsky) voor een leerling is: Waar is een leerling al aan toe om zonder hulp uit te voeren en wat is zijn potentiële ontwikkelingsniveau dat tot uiting komt bij begeleiding van een volwassene of een meer gevorderd leeftijdsgenoot?

Uit de eerste reacties vanuit de zaal bleek een grote verontwaardiging over het feit dat reeds decennia wordt gepraat over de “de school van de ongelijkheid”, maar dat ze als dusdanig blijft bestaan. Die verontwaardiging is een belangrijke motor om hier aan te werken. Hiertoe moeten samenwerkingsverbanden uitgewerkt worden. Er zijn allerlei initiatieven op lokaal niveau, punt is om die inspanningen bekend en dus zichtbaar te maken.

Elke Decruyenaere verwijst naar het beleidsplan van de stad Gent, waaruit blijkt dat Gent inzet op elk talent.
• Het belang van de voorschoolse- en buitenschoolse opvoeding wordt benadrukt en ondersteund. Beide kunnen een antwoord zijn op de ongelijkheid: zowel kinderopvang als buitenschoolse ateliers stimuleren de ontwikkeling van kinderen. Als kritische noot wordt hierbij genoteerd dat plannen binnen de Vlaamse Gemeenschap nadelig zijn voor het kansenbeleid binnen de stad. Binnen de kinderopvang werd reeds jaren benadrukt dat kinderopvang niet enkel een economische functie maar ook een sociale functie heeft. Plannen binnen de Vlaamse Gemeenschap leggen opnieuw de nadruk op de economische functie: kinderen van “tweeverdieners”, moeten prioritair plaats krijgen.
• Scholen, zowel binnen het basis- als secundair onderwijs, krijgen binnen een gemeenschappelijke visie de kans om hun eigen project uit te werken. Daarbij zijn er ondersteunende diensten die tot een optimale werking kunnen bijdragen. Ook hier zijn staan de werkingsmiddelen voor scholen met een hoger aantal kinderen uit kansarme gezinnen onder druk. Deze scholen zullen in de toekomst ook weliswaar gunstiger omkaderd worden (lestijden), maar de werkingsmiddelen zouden gelijk getrokken worden voor alle kinderen. Dit gaat er aan voorbij dat om alle kinderen optimale kansen te bieden, er ook investeringen nodig zijn. Uitstappen, tegemoet komen bij extra-muros, buitenstaanders kunnen inzetten voor ateliers, het opzetten van vakantieactiviteiten .. zullen hierbij onder druk komen te staan voor die kinderen waarvan de ouders over weinig financiële middelen beschikken.

Alle sprekers benadrukken het belang van een samenwerking met diverse partners. Voor wat de lerarenopleiding betreft kan een beroep gedaan worden op KATROL, dat studenten begeleidt bij de ondersteuning van kinderen en ouders uit kansarme gezinnen. Het is duidelijk dat studenten hierdoor beter zicht kunnen krijgen op de problematiek van deze ouders en hun kinderen en hun empathie zal verhogen.

Binnen de stad is ook netoverschrijdend geïnvesteerd in het BRUGFIGUREN PROJECT. Uitgaande van de idee dat het contact tussen ouders en school essentieel is voor het slagen van hun kinderen en de problemen die rijzen om ouders uit lagere socio-economische strata te bereiken, werken scholen ook wel met brugfiguren. Dit project bleek erg effectief om intenser contact te krijgen met de ouders uit kansarme groepen. Uit ervaringen in Gent met het project “brugfiguren” bleek het toch ook een blijvend aandachtspunt om de leerkracht een centrale plaats te blijven geven in het contact tussen de ouders en de school. De brugfiguren bereikten de ouders aan de schoolpoort, door huisbezoek enz.. Ze waren dus belangrijk maar moesten er zorg voor dragen dat een direct contact tussen de ouders en de leraar ontstond.

Er is verder nog de BREDE SCHOOL.
Brede School is een overkoepelende naam voor Brede Schoolprojecten die in Gentse wijken lopen. De doelstelling van deze projecten is de ontwikkelingskansen voor alle kinderen bevorderen. Door netoverschrijdend samen te werken met lokale partners proberen scholen, jeugdwerk, bibliotheken, buurt- en welzijnsorganisaties, socio-culturele verenigingen,… een brede leer- en leefomgeving te creëren voor kinderen in de vrije tijd en op school. Deze samenwerking kan georganiseerd worden in projecten, in activiteiten en d.m.v. samenwerkingsafspraken. Daarbij wordt gestreefd naar onderlinge versterking, aanvulling en verrijking, maar met behoud van de eigenheid van de partners. Brede scholen zijn vooral gesitueerd binnen wijken waar meer kansarmoede voorkomt en worden vaak mee aangestuurd door de brugfiguren.

Ten slotte: Binnen zowel het panel als de zaal bleek een consensus dat sociale ongelijkheid binnen de school niet onvermijdelijk is. Het vergt inspanningen binnen de lerarenopleiding, binnen schoolteams waar niet alleen moet ingezet worden op het leren van de leerlingen maar evenzeer op dat van de leraren en opvoeders. Het vergt een inzet om de betrokkenheid van alle ouders te verhogen. Dit houdt een voortdurende mentaliteitswijziging in die vooral “bottom up”, van beneden uit zal moeten ontstaan. Wel wordt verwacht dat ook binnen het secundair onderwijs een omslag plaats vindt in de verhouding tussen ASO, TSO en BSO. Hiertoe zijn samenwerkingsverbanden en een voortdurend overleg binnen het team noodzakelijk.

 Verslag: Armand De Meyer

Schoon protest: het neorealisme is een elitedenken: Rik Pinxten

Rik Pinxten_dvdfPinxten start zijn betoog met een slide met een symbolische voorstelling van de wereld zoals die door een medicijnman bij de Apache-indianen gebruikt wordt om een diagnose te stellen en de zieke te helen door kruiden, dans en gezang. Jongeren uit diezelfde gemeenschap volgen een opleiding als industrieel ingenieur en krijgen meteen een contract om bij het bedrijf Lockhead te werken. Deze jongeren hebben een biculturele opleiding genoten. Ze stappen over naar een nieuwe cultus en komen terecht in een gecombineerde realiteit van cultureel bestaan.
Er is een groot verschil in verstedelijking tussen de streek waar deze jongeren opgroeien en onze gewesten (Londen-Parijs-Keulen-Milaan).
Steden ontstaan altijd door migratie. Het meest verstedelijkte gebied bevindt zich tussen Londen, Amsterdam, Parijs, Keulen en Milaan ook wel ‘de blauwe banaan’ genoemd. Dit is ook het gebied met de grootste welvaartproductie. Maar de welvaartproductie verschuift samen met de verstedelijking en de culturele migratie.
Sedert de Tweede Wereldoorlog wordt de Europese suprematie in vraag gesteld. Evenwichten verschuiven. Nieuwe machten en nieuwe verstedelijkte kernen ontstaan in China, India en Brazilië. Sedert de oorlog in Somalië is geen enkel conflict waar wij bij betrokken zijn, opgelost zoals wij het willen. We boeten in aan invloed ten voordele van China, India en Brazilië. Onze positie in de wereld verandert maar onze houding verandert niet zo snel. We blijven vasthouden aan het idee dat onze cultuur de beste is. We kijken bevooroordeeld naar andere culturen. We willen de realiteit niet onder ogen zien.
Volgens Pinxten zijn er twee antwoorden mogelijk :
1. Het neoliberale antwoord verhardt in het grote gelijk
2. Het antwoord van de kleine revoluties door met elkaar in dialoog te gaan : burgerinitiatieven leiden tot samen-redzaamheid
Het neoliberale antwoord houdt een gereduceerd mens- en maatschappijbeeld in. De mens is een economisch wezen, een machtswezen. De mens is in de eerste plaats consument. De rest is bijzaak. De maatschappij is bijgevolg perfect te managen door iedereen op zijn plaats vast te zetten en te houden.
Het neoliberale antwoord kan zich van verschillende metaforen bedienen. De mayonaisemetafoor, de mierenmetafoor of de wolvenmetafoor. Al deze metaforen schieten te kort doordat ze de complexiteit van mens en maatschappij niet kunnen ondervangen.
Het tweede antwoord houdt rekening met een complexe maatschappij met mondiale afhankelijkheid of interdependentie. Pinxten opteert voor een interculturele associatie waar men samenleeft met zingevingsverschillen. In elke religie zit een sterk punt en daarom willen we andere culturen leren kennen en begrijpen. In plaats van ervan uit te gaan dat er maar één manier is om volledig mens te zijn (volgens het christelijk geloof, of het islamitische geloof, of…) waarbij de anderen zich moeten aanpassen aan onze norm, onderhandelen we met andersgelovigen hoe we het beste kunnen samenleven met die verschillen.

Verslag: Anne Vanhauwermeiren

Wat kan Piketty ons leren?
Jelle Versieren

In feite is wat Piketty zegt, niet zo heel nieuw. Waarom krijgt zijn ‘Capital in The Twenty-First Century’ dan zo veel bijval? Dat ligt volgens Jelle Versieren voornamelijk aan de timing: we ervaren op dit moment een gevoel van desintegratie van het neoklassieke paradigma. Het idee dat de vrije markt zichzelf zou reguleren, blijkt niet te kloppen. Het industriële kapitaal botst met het financiekapitaal wegens structurele contradicties, enz. Waar het neoklassieke paradigma geen aandacht had voor werkloosheid en ongelijkheid maar vooral focuste op monetaire evenwichten en arbeidsflexibiliteit, kan men in de 21e eeuw niet meer omheen de groeiende ongelijkheid. Onze maatschappij is (opnieuw) hiërarchisch ingedeeld, met kapitaaleigenaars als grote winnaars.

Waar men dacht dat de meritocratie het patrimoniaal kapitalisme had vervangen, moet men nu toegeven dat de erfgenamen van deze meritocraten gewoon een nieuwe klasse van kapitalisten zijn: money begets money… Deze wetmatige tendens naar kapitaalsconcentratie is in tegenspraak met wat de neoliberale economen voorspelden. Er valt echter niet te ontkennen dat landen met de grootste neoliberalisering de grootste inkomensdispariteit kennen: meer inkomensconcentratie aan de uiterste top, een kleinere middenklasse en een grotere basis aan precariaat & mensen in absolute armoede. Het patrimoniaal kapitalisme veroorzaakt dus zowel meer extreme absolute als relatieve armoede.

Kortom, de steeds opnieuw aangevoerde neoliberale concepten blijken keer op keer te mislukken, het besparingsbeleid als antwoord op de crisis als het mooiste voorbeeld hiervan. Door te blijven steken bij deze oude recepten, krijgen we wat Zizek omschrijft als ‘getting stuck onto a singular moment’. Door steeds weer dezelfde recepten toe te passen, wordt steeds weer aangetoond dat ze niet werken. Pikkety is het symptoom van deze repetition of the same.

Het besef dat we blijven hangen op datzelfde punt ‘onto a singular moment, leidt tot de vraag naar een nieuw paradigma. De zoektocht naar dit nieuwe model verloopt echter moeizaam. Versieren wijst op dat de politiek blijft vasthangen aan een foute personificatie van de neoliberale contradicties: men geeft niet toe dat het falen van het neoklassieke systeem ligt aan een fout theoretisch model, maar wijt het aan te veel belemmeringen van de markt, aan de profiteurs, enz.

Op het einde van zijn boek schetst Piketty  een deprimerend toekomstbeeld. Als de politiek niet ingrijpt, zal de kapitaalsconcentratie alleen maar toenemen. Hij ziet de toenemende ongelijkheid dus als een wetmatige tendens, die enkel kan gestopt worden door een radicale paradigmashift.

Peut-on critiquer Piketty? Het verzamelde cijfermateriaal is ronduit indrukwekkend, het is een ware fichebak van gegevens. Toch zijn er enkele theoretische tekortkomingen in zijn werk. Een eerste punt is Piketty’s vage conceptualisering van zowel ‘ongelijkheid’ als ‘kapitaal’. Voorts noemde Versieren hem een ‘Keynes zonder tanden’. Hij zou te veel belang hechten aan concepten als marginale kost en te weinig (of helemaal geen) aan productie, productierelaties, de impact van technologie op werkgelegenheid enz.

Om de vaagheid van Piketty’s definitie van kapitaal te illustreren, ging Versieren dieper in op de verschillende definities van ‘kapitaal’ sinds Marx. Versieren sloot af met een lofuiting aan het adres van de Griekse politicus Varoufakis, als verdediger van het financieel kapitaal t.o.v. het niet-productief kapitaal.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s